Geplaatst op Geef een reactie

Bonen en Tuinbonen – De Volledige Kweekgids

Bonen en tuinbonen de volledige kweekgids

Tuinbonen (Vicia faba) en Gewone Bonen (Phaseolus vulgaris) zijn twee peulvruchten van de vlinderbloemenfamilie, net zoals de erwten. Ze hebben een enorme verscheidenheid aan rassen, maar één ding hebben ze allemaal gemeen: ze zijn zeer voedzaam. Ze bevatten veel eiwitten en zijn daarom heel geliefd als vleesvervanger.

Tuinbonen komen oorspronkelijk van het Middellandse Zeegebied en worden al duizenden jaren gekweekt. De laatste jaren vind je hem niet zo veel meer in de winkel. Boeren geven namelijk de voorkeur aan de Gewone Boon (Phaseolus vulgaris). In moestuinen vind je nog wel eens de tuinboon, omdat je ze al zo vroeg in het jaar kan kweken. Gewonen bonen komen oorspronkelijk uit Midden- en Zuid-Amerika, en waren daar heel belangrijk voor de voedselvoorziening. De ontdekkingsreizigers hebben ze dan later meegebracht naar onze contreien.

Gewone bonen en tuinbonen zijn twee verschillende soorten bonen, ik behandel ze toch samen in deze kweekgids omdat ze veel gelijkaardige eigenschappen hebben en op gelijkaardige manier gekweekt worden.

Soorten Bonen

Tuinbonen en gewone bonen kunnen in veel verschillende rassen opgedeeld worden. Ze kunnen zowel droog als vers gegeten worden, kunnen hoog of laag groeien en ze bestaan in heel veel verschillende kleurvariaties. Hieronder een kleine oplijsting van de verschillende soorten bonen.

gedopte tuinbonen

Tuinbonen

De tuinboon (Vicia faba) heeft veel verschillende namen. Ze wordt ook wel labboon, Roomse boon, veldboon of brede boon genoemd. De plant kan vrij groot worden (tot anderhalve meter) en heeft een vierkante stengel. De zaden kunnen groen of wit zijn en worden zowel vers als gedroogd gegeten.

Tuinbonen komen in 2 verschillende rassen voor; de bruinkokende rassen en de witblijvende rassen.

Bruinkokende RassenWitblijvende Rassen
Zaden worden bruin na kokenZaden behouden hun witte kleur
Licht bittere, typische tuinbonensmaakGeen bittere smaak
Kunnen ingevrozen worden Kunnen niet ingevrozen worden, vers eten of inblikken
Bloemen in allerlei kleurenVolledig witte bloemen

Onze Tuinbonen

Gewone boon

Ze heten dan misschien wel ‘Gewone’ boon, toch komt deze soort in zeer veel verschillende rassen voor. Je hebt droge bonen, prinsessenbonen, snijbonen, spekbonen en pronkbonen. Binnen deze rassen heb je dan nog varianten die laag blijven en varianten die hoog groeien. Zo gewoontjes zijn deze bonen dus niet!

Droge bonen Big Borlotto

Droge Bonen

Droge bonen zijn de bonen die, hoe raad je het, gedroogd worden. Voor het koken worden ze in water geweekt. Ze zitten boordevol eiwitten en zijn dus de ideale vleesvervangers. Voorbeelden van droge bonen zijn bruine bonen, limabonen, mungbonen en de kievitsbonen. Sommige droge bonen, de flageolets, kunnen ook vers, gedopt gegeten worden.

Verse prinsessenbonen

Prinsessenbonen

De prinsessenboon heeft veel verschillende namen, zoals sperzieboon en, in Nederland, slaboon. Van deze boontjes wordt de hele peul gestoofd gegeten. Ze zijn dan een echte lekkernij. Deze groente eten we voor de zaden gerijpt zijn. De meeste van deze boontjes zijn groen, maar er zijn ook gele varianten. Die worden boterbonen genoemd. Je hebt zowel hoge als lage prinsessenbonen

Verse bonen van Struikboon Pongo

Snijbonen en Spekbonen

Snijbonen zijn gelijkaardig aan prinsessenbonen, maar zijn veel dikker. Ze worden gesnipperd voor het stoven, vandaar de naam snijboon. In tegenstelling tot de prinsessenbonen worden snijbonen steeds aan hoge planten geteeld.

Spekbonen zijn een variant van de snijbonen. Ze zijn nog dikker en vleziger en smaken ook wat zoeter. Ze kunnen ook gedroogd gegeten worden.

Roze bloem van de pronkboon

Pronkbonen

De naam doet het al vermoeden, de mooiste planten vind je bij de pronkbonen. Ze hebben heldere witte of rode bloemen die ook eetbaar zijn. Maar het is niet enkel schone schijn bij deze planten. De plant is namelijk veel sterker dan bij de andere bonen en ze kunnen tot wel 3 meter hoog worden. Om die redenen worden ze ook wel gebruikt als windbreker in de moestuin.

Als je de peulen van pronkbonen jong oogst heb je een goede snijboon, maar pluk je later dan kan je de bonen ook drogen. Dat zorgt ervoor dat je en heel gespreide productie hebt, waardoor je niet te veel bonen in één keer klaar hebt.

Lage en Hoge Bonen

De bonen kunnen we verder nog onderverdelen in lage en hoge bonen. Lage bonen, ook wel struik- of stambonen genoemd, worden niet heel groot, maximum 50 cm. De hoge bonen, of stok- of staakbonen kunnen dan weer tot wel 3 meter hoog worden. De teelt van staakbonen is moeilijker omdat je ze ondersteuning moet bieden. Struikbonen hebben dan weer geen ondersteuning nodig, maar je moet je bukken om te oogsten en de opbrengst per oppervlakte is lager.

StruikbonenStokbonen
Hebben geen of minder ondersteuning nodig Ondersteunen met staken of touwen
Moeilijker te plukken, je moet je steeds bukkenEenvoudig te plukken, boontjes zijn op ooghoogte
Kunnen gekweekt worden in potKan enkel in volle grond
Kan gemakkelijk beschermd worden tegen vogelsVogelnetten hangen is lastiger
Lage opbrengst per m² Hoge opbrengst per m²
Rijp rond dezelfde tijd, meerdere keren zaaienGespreide oogst, één keer zaaien

Onze Bonen


Standplaats

Zowel tuinbonen als gewone bonen stellen geen hoge eisen aan de bodem en groeien bijna overal. Eén van de belangrijkste voorwaarden is dat de bodem niet te nat is en dat het teeltschema gerespecteerd wordt.

Zonlicht, Water en Wind

Bij voorkeur zet je de planten op een zonnige plek zonder veel schaduw. Een beetje schaduw kunnen de planten wel verdragen, maar de opbrengst is dan lager.

Een goed gedraineerde grond is onontbeerlijk. Een te natte bodem zal tot schimmels leiden. Bovendien warmt een natte bodem trager op, terwijl bonen net een warme bodem nodig hebben. De watervoorziening moet wel zo constant mogelijk zijn. Een bodem met een goede humuslaag is dus ideaal.

Hoge prinsessenbonen vangen best veel wind en zijn daar eigenlijk niet zo goed tegen bestand. Zet deze groente dan ook niet op een winderig plekje. Een beter alternatief wanneer je veel wind hebt zijn pronkbonen of tuinbonen. Deze kan je ook gebruiken als windbreker voor de stokprinsessen.

Bodem en vruchtwisseling

Peulvruchten zoals bonen hechten niet veel belang aan de bodem waarin ze gekweekt worden. Meer nog, ze leggen extra stikstof vast in de bodem. Zo krijg je na het kweken van peulvruchten een rijkere grond. Wanneer je een lichte zandgrond hebt kan je wel wat goed verteerde compost toevoegen. Zwaardere grond kan eventueel gebruik maken van een beetje extra kalium. Fosfor is een ander belangrijk mineraal voor bonen. Dit is vooral handig in nieuwe moestuinen. Een goed verzorgde moestuin waar geregeld compost aan toegevoegd wordt heeft dit niet noodzakelijk nodig.

Peulvruchten hebben veel baat bij de goede bodemstructuur die aardappelen achterlaten. De extra stikstof die peulvruchten aanmaken in de bodem is dan weer ideaal voor kolen. In het vruchtwisselingsschema met de 7 percelen van ons moestuinplan komen de peulvruchten dan ook tussen deze 2 soorten te staan. Hou je je niet aan dit vruchtwisselingsschema zorg er dan wel voor dat er minstens 4 jaar zit tussen twee teelten van bonen op hetzelfde stuk grond. Bij tuinbonen moet je nog voorzichtiger zijn en minstens 5 jaar (of zelfs langer!) aanhouden. Doe je dit niet dan maak je kans op vervelende ziektes zoals wortelrot.

schema wisselteelt
Schema Wisselteelt met de 7 percelen

Voorteelt

Gewone bonen gaan pas laat op het jaar de grond in, sommige rassen zelfs pas in juli. Daardoor kan je een voorteelt doen. Deze groenten zijn dan geoogst voor de bonen gezaaid worden. Ideale voorteelten zijn uien en wortels. Heb je geen aardappelen in je vruchtwisselingsschema, dan is dit ook een goede voorteelt. Heb je echte hele late bonen, dan kan je ook een voorteelt erwten doen. Voor- en nateelt zijn technieken voor de gevorderde moestuinier, maar probeer het eens uit!


Bonen Zaaien en Planten

Neem je een kijkje op de zaaikalender, dan merk je dat tuinbonen al veel vroeger gezaaid mogen worden dan snij- of prinsessenbonen. Tuinbonen zaai je voor in februari of eind februari, begin maart al in volle grond, de andere moeten wachten tot in mei of later om gezaaid te worden. Tuinbonen zaai je zo vroeg omdat je dan hun natuurlijke vijand, de zwarte bonenluis, voor bent. Gewone bonen komen later omdat ze een warme bodem nodig hebben. De bodem moet namelijk minstens 15°C zijn om goed te kiemen, en liefst nog warmer. Je kan de natuur hierbij een handje helpen door de bodem te bedekken met een zwarte plastic folie.

Voorzaaien

Bonen hebben een vrij gevoelig wortelgestel en worden daarom niet graag verplant. Bij voorkeur zaai je dan ook niet voor, dat doe je enkel wanneer je de allervroegste bonen wil. Tuinbonen kan je wel voorzaaien in januari of februari. Voorzaaien doe je in een serre of koude bak. Het gemakkelijkste is voorzaaien in potjes van ongeveer 10 cm doorsnede. Je mag 2 zaden per pot zaaien, later hou je dan de sterkste over.

Heb je tuinbonen voorgezaaid dan is het belangrijk dat je de serre of koude bak voldoende lucht van zodra ze gekiemd zijn. Dit zorgt ervoor dat ze niet te nat komen te staan, maar ook dat ze klein en stevig blijven. Als ze het nu wat te warm hebben worden ze te lang en slungelig en zijn ze vatbaarder voor ziektes. Je kan de tuinbonen verplanten van zodra ze ongeveer 15 cm hoog zijn. Plant ze dan ongeveer 15 cm van elkaar, maar zorg eerst voor ondersteuning met staken.

Rechtstreeks buiten zaaien

Gewone Bonen en Tuinbonen hebben vrij dikke zaden, ze mogen dan ook heel diep gezaaid worden, sommigen tot wel 10 cm diep. Volg hiervoor steeds de instructies op het pakje. Bij een lichte bodem mag je iets dieper zaaien, bij een zware bodem net wat minder diep. Je kan de bonen voor het zaaien 24 uur voorweken in wat water. Dat versnelt het kiemproces, maar kan je zaden ook beschadigen. Het kan tot wel 10 dagen duren eer je de eerste kiemen van de plantjes ziet.

Struikbonen zaai je 5 à 10 cm uit elkaar, afhankelijk van het ras. Voor stokbonen en tuinbonen plaats je best eerst de ondersteuning. Gebruik hiervoor houten of bamboe stokken.

Er zijn veel verschillende manieren om ondersteuning te bieden aan je planten. De beste manier is waarschijnlijk met een dubbele rij bonenstaken. Hierbij plaats je de bonenstaken aan weerszijden van het plantbed in 2 rijen, zo’n 90 cm uit elkaar. De staken binnen één rij zetten we dan ongeveer 60 cm uit elkaar.

Zaai de bonen nu rond de staken. Neem een afstand van ongeveer 10 cm van de staak. Hoeveel je er zaait is afhankelijk van het type boon:

  • Tuinbonen: 5 zaden/staak
  • Droogbonen: afhankelijk van de soort
  • Prinsessenbonen: 7 zaden/staak
  • Snij- en spekbonen: 6 zaden/staak
  • Pronkbonen: 4 zaden/staak

Nadat de planten zijn uitgekomen laat je de stevigste staan.

Heb je niet veel plaats dan kan je ook altijd gebruik maken van een ‘bonentoren’. Zorg hierbij ook voor een straal van 90 cm. Dan heb je ruimte voor zo’n 9 staken.

Een voorbeeld van een ‘bonentoren’.

Hier zie je een aantal voorbeelden van de ‘dubbele rij methode’.

Na het zaaien hang je best een netje tegen de vogels. Zij eten namelijk ook graag bonen en durven deze uit de bodem te peuteren.

Bonen in Potten Kweken

Stambonen kunnen ook in potten gekweekt worden. Neem dan potten met een diameter van minstens 10 cm en zaai 2 zaadjes per pot. Later haal je de zwakste plant weg. Op deze manier kan je ook bonen kweken op je terras of balkon!

Teeltzorgen

Na het zaaien heb je niet heel veel werk meer met het verzorgen van de bonen. Het belangrijkste is de bescherming tegen plagen en ziektes en geregeld water geven.

Ondersteuning

Bonen komen boven de grond met hun 2 kiemblaadjes. Wanneer er 2 nieuwe blaadjes, de ‘echte’ blaadjes, aan de plant komen, aard je de plant wat aan. Dat doe je door de aarde rond de stengel wat op te hogen. Dit biedt extra ondersteuning in het begin.

De bonen vinden in het begin soms moeilijk de staken. Help ze hierbij gerust een beetje door de stengels rond de staken te winden.

Onkruid

In het begin van de teelt kan onkruid een probleem vormen. De staken zijn dan nog niet volgroeid en de bonen kunnen daardoor het onkruid niet goed onderdrukken. Ga dan ook geregeld wieden, anders haalt het onkruid de noodzakelijke mineralen uit je bodem. Bovendien droogt grond met veel onkruid trager op en daar zijn vooral schimmels mee geholpen. Je kan ook mulchen met droog materiaal zoals hooi of stro om het onkruid te onderdrukken.

De Drie Gezusters

Bonen stonden op nummer één in het menu van de Zuid-Amerikaanse Indianen. Om de problemen met ondersteuning en onkruid in één keer op te lossen maakten ze gebruik van de eigenschappen van maïs en pompoenen. Bonen, maïs en pompoenen werden dan ook altijd samen geteeld en kregen zo de bijnaam ‘De Drie Gezusters’. Het idee is dat de lange stengels van de maïs voor ondersteuning van de bonen zorgde en de pompoen het onkruid onderdrukt. Een interessante techniek die je misschien ook in je eigen tuin eens kan proberen?

Water geven

Als je een goede mulchlaag hebt aangelegd hoef je niet zo vaak water te geven. Zonder mulch moet je zorgen dat er geen te grote schommelingen zijn in het vochtgehalte van de bodem. Dit betekent dat je in droge periodes bijna elke dag een beetje water zal moeten geven. Geef water steeds aan de voet, niet op het blad, dat kan schimmels in de hand werken.

Ziektes

Schimmels zijn de vervelendste ziekten bij bonen. De behandeling van schimmels is heel simpel, maar ook ingrijpend. Snijd de aangetaste delen van de plant weg met een scherp en schoon mes. Geef de plantenresten mee met het tuinafval. Heb je een goede (hete) composthoop dan kan je ook proberen om dit zelf te composteren. Probeer je droge bonen te telen en merk je schimmel op? Oogst dan toch al vruchten. Eer je peulen droog zijn kan het hele gewas al zijn aangetast.

Zoals bij alle ziektes is voorkomen beter dan genezen. De belangrijkste maatregel die je kan nemen is ervoor zorgen dat de planten nooit te nat komen te staan. Geef daarom ‘s morgens water, zo kan het overtollige water overdag opdrogen. Bemesting met extra stikstof is ook overbodig. Bonen kunnen namelijk zelf stikstof vastleggen in de bodem. Een teveel aan stikstof zal vooral de schimmels ten goede komen.

Bewaar nooit de zaden van een aangetaste plant. De schimmels kunnen lange tijd overleven op de zaden en ook je planten volgend jaar aantasten.

Schimmels kunnen ook overleven op de staken. Je kan de schimmelsporen vernietigen door ze voor het installeren even door de vlam van een gasbrander te halen.

Verwacht je een aantasting van schimmels (bijvoorbeeld omdat het een heel natte zomer is), dan kan je preventief sproeien met een aftreksel van heermoes. Dit kan de groei van schimmel tegengaan.

Plagen

Slakken durven wel eens de bladeren van bonenplanten op te vreten. Slakkenvraat is herkenbaar aan de gaten in het midden van het blad en de slijmsporen die ze achterlaten. Slakken kan je voorkomen door dood hout in de tuin meteen op te ruimen. Slakken kunnen zich hieronder verstoppen. Heb je last van slakken dan zijn er een paar methoden echt doeltreffend. Je kan een slakkenval gevuld met bier zetten of gebruik maken van aaltjes. Je kan ook gebruik maken van slakkenkorrels. Let dan wel op dat je slakkenkorrels met ijzerfosfaat gebruikt. Deze hebben geen schadelijke effecten op ander leven.

Vogels durven ook wel eens de bonen uit de grond te peuteren of van de jonge plantjes te snoepen. Ook konijnen kunnen de jonge planten aantasten. De beste bescherming hierbij is het hangen van een net. Dat is vaak iets makkelijker bij stambonen dan bij staakbonen.

Ook heel wat insecten kunnen de bonen aantasten. De belangrijkste daarbij is de zwarte bonenluis. Luizen kunnen zeer snel in aantal groeien, van zodra je er een paar opmerkt moet je meteen ingrijpen. Anders krijg je te veel luizen die het levensnoodzakelijke plantensap uit de bonen zuigen. Dit leidt tot een zwakke plant die kan scheefgroeien. Bovendien scheiden bladluizen de stof honingdauw af, een plakkerige suikersubstantie waar schimmels op kunnen groeien.

Tuinbonen kunnen beschermd worden tegen de zwarte bonenluis door vroeg te zaaien. Dan zijn de planten al volgroeid voor de bonenluis kan toeslaan. Je kan ook de top uit de plant halen van zodra je 8 trosjes bloemen hebt. Dan groeit de plant niet meer verder, en het is net op het nieuwe plantmateriaal dat de bonenluis het liefst gaat toeslaan.

Bonen Oogsten

Wanneer je bonen oogst is vooral afhankelijk van het type boon. Tuinbonen kan je vroeger oogsten dan gewone bonen, verse bonen vroeger dan gedroogde.

Tuinbonen Oogsten

De jonge peulen kan je oogsten in juni en juli om meteen te doppen en op te eten. Later worden de bonen meliger en wordt het doppen moeilijkere. Wil je graag een gedroogde tuinboon dan wacht je tot eind augustus. Wanneer dan de onderste peulen zwart worden trek je de hele plant uit en hang je deze te drogen. Eens ze helemaal gedroogd zijn haal je de zaden uit de peulen en verwijder je eventueel het extra vliesje rond de bonen. Dit heet dubbel doppen. Omdat het vliesje soms wat bitter kan zijn verkiezen de meeste mensen dubbel gedopte tuinbonen.

Gewone Bonen Oogsten

Prinsessenbonen, spek- en snijbonen en pronkbonen oogst je voornamelijk in de zomermaanden. Dan zijn de peulen nog jong en mals. Struikbonen zijn vaak rond dezelfde tijd allemaal rijp, bij staakbonen zit er wat meer spreiding in. Staakbonen oogst je dan tot wel tweemaal per week. Door vaker te plukken zal de plant ook langer peulen blijven maken.

Droge bonen oogst je in september. Wanneer de planten beginnen de verkleuren trek je ze uit en hang je ze te drogen op droge plaats. Wanneer ze volledig droog zijn kan je de bonen gemakkelijk uit de peulen halen.

Bonen Bewaren

Droge bonen zijn het gemakkelijkst te bewaren. Zijn ze goed droog dan bewaren ze heel lang op een koele, droge, donkere plek.

Verse bonen blijven een tiental dagen goed in de ijskast. In de zomer heb je echter veel meer boontjes dan je dan kan eten. Je kan de boontjes dan ook beter invriezen. Blancheer daarvoor de boontjes eerst gedurende drie minuten. Daarna blijven ze 9 maanden goed in de diepvries. Kies bij de tuinbonen voor een witblijvende variant.

Zadenteelt

Wil je graag je eigen zaden kweken om volgend jaar zelf te zaaien? Oogst dan de zaden net zoals je bij droge bonen zou doen. Bij tuinbonen en staakbonen moet je wel het bovenste deel van de plant wegsnijden. Dat helpt het rijpingsproces van de zaden. Bewaar nooit zaad van planten die met schimmel zijn aangetast.

Bonen zijn zelfbestuivend en er is weinig kans op kruisbestuiving. Dit zorgt ervoor dat de geoogste zaden ook dezelfde planten opleveren als de planten waarvan ze komen.


Zin gekregen om zelf (tuin)bonen te kweken? Bestel ze nu bij De Tuindoos

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *